Actueel


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur



We houden u graag op de hoogte over de ontwikkelingen binnen
het straf(cassatie)recht.








Neem vrijblijvend contact op


Afroomboete ter ontneming

Op 27 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in 3 zaken, waaronder de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder S 24/00336 en S 21/02294, waarin de vraag aan de orde was of in een strafzaak verdachte een boete kan worden opgelegd ter grootte van het door de verdachte beweerdelijk uit het bewezenverklaarde feit genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl de wetgever juist een aparte procedure in het leven heeft geroepen om dat voordeel van een verdachte te plukken, te weten de ontnemingsprocedure.

In cassatie is in beide zaken aangevoerd dat bij het opleggen van een aanzienlijke geldboete met als enig doel het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen het onderscheid tussen straf en maatregel vervaagt zodat dit daarom niet is toegestaan. Hierbij is een beroep gedaan op de mening van een aantal advocaten-generaal die dezelfde mening waren toegedaan. Zowel de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld als de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zouden immers dan eenvoudig kunnen worden omzeild. Daarbij moet worden bedacht dat de schatting van het voordeel in een ontnemingsprocedure slechts kan worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen (art. 511f Sv), terwijl voor het in aanmerking nemen van factoren in het kader van de straftoemeting voldoende is dat deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Verder kan de betrokkene zich in de ontnemingsprocedure verweren tegen de ontnemingsvordering, die in de regel is gebaseerd op financiële rapportage. Die verweermogelijkheden zijn niet reëel en effectief in een situatie waarin de rechter in de strafzaak – zonder dat daarover ter terechtzitting een debat plaatsvindt – de geldboete oplegt met het primaire of zelfs uitsluitende doel om voordeel te ontnemen.

Overigens is wel aangevoerd dat oplegging van een zogenaamde afroomboete in het Nederlandse strafrecht mogelijk is, maar dat het noodzakelijk is dat de hoogte van de ontnemingsmaatregel wordt afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete teneinde te voorkomen dat er niet meer wordt ontnomen dan aan voordeel is verkregen. Dat is alleen mogelijk indien de rechter in de strafzaak inzicht geeft in de omvang van deze component.
Zowel advocaat-generaal Aben (in S 24/00336) als advocaat-generaal Spronken menen dat voordeelsontneming wel het gevolg kan zijn van, maar geen (primaire) grond mag zijn voor de oplegging van een geldboete. Aben meent dat het raadzaam is dat de Hoge Raad zijn rechtspraak aanvult met de eis dat de strafrechter bij de oplegging van een geldboete met afroomcomponent tot uitdrukking brengt wat van die afroomcomponent de hoogte is en op welke wettige bewijsmiddelen de daaraan ten grondslag liggende vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk voordeel is gebaseerd. Bovendien dient het OM de ontnemingsvraag voorafgaande aan de terechtzitting aan te kondigen opdat de verdachte zich daarop tijdig kan prepareren en zich op de zitting daarover kan uitlaten. Indien op de strafzaak nog een ontnemingszaak volgt, zal de ontnemingsrechter – in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaategel – acht dienen te slaan op de afroomcomponent van de opgelegde geldboete en erop moeten toezien dat hetzelfde voordeel niet tweemaal wordt ontnomen.
De Hoge Raad is van beide adviezen afgeweken. In de zaak S 24/00336 (waarnaar de Hoge Raad in de 2 andere zaken verwijst) heeft de Hoge Raad gesteld dat in een mogelijk op de strafzaak volgende ontnemingszaak de ontnemingsrechter vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening dient te houden met de oplegging van (dit deel van) zo’n geldboete.
Als de rechter in de strafzaak niet heeft voorzien in een op dit punt adequate strafmotivering, maar de rechter in de ontnemingszaak – gelet op de hoogte van de opgelegde geldboete of anderszins – aanleiding heeft te veronderstellen dat sprake is van een geldboete die (mede) ter ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel dient, dan is de rechter in de ontnemingsprocedure gehouden (in matigende zin) rekening te houden met die boeteoplegging bij de vaststelling van de betalingsverplichting.

Omdat in deze zaak de ontnemingsprocedure nog moet worden gevolgd en de Hoge Raad er kennelijk vanuit gaat de ontnemingsrechter in staat zal zijn uit te puzzelen welk deel van de in de strafzaak opgelegde geldboete betrekking heeft op de ‘afroming’ leidt de klacht niet tot cassatie.

In voorkomende gevallen waarin duidelijk is dat er niet alleen een strafzaak is aangespannen maar al dan niet ook een ontnemingsprocedure is aangekondigd zal de verdediging/verdachte er dus op bedacht moeten zijn dat in die strafzaak ook een geldboete ter ontneming zal kunnen worden opgelegd. Dat betekent dat de verdediging in de strafzaak ook getuigen en deskundigen zal dienen te horen teneinde verweer te voeren tegen een mogelijke ontneming. De rechter zal deze verzoeken niet kunnen afwijzen door te oordelen dat deze getuigen/deskundigen niet relevant zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing.

Zie voor de uitspraak in de zaak S 24/00366:










https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:179&showbutton=true&idx=5






Terug naar overzicht



Plaats een bericht


CAPTCHA Image


Contact


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur
Vasteland 78
3011 BN Rotterdam

Telefoon: 010 3100 270
Fax: 010 3100 274

E-mail: info@bacas.nl
E-mail mr. Baumgardt: baumgardt@bacas.nl
E-mail mr. Van Berlo: vanberlo@bacas.nl

KvK: 68913176
BTW: 857644907B01
Bank: NL76ABNA0247440663

Route


Tweets