Vaststelling van zwaar lichamelijk letsel kan nader onderzoek vergen
Op dinsdag 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waarin de vraag was of sprake is van het door verdachte aan een ander toegebracht zwaar lichamelijk letsel.
De vraag wat onder zwaar lichamelijk letsel kan worden verstaan is vaker bij de Hoge Raad aan de orde geweest. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, in elk geval kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij is de Hoge Raad ingegaan op een veelvoorkomende categorie letsel, te weten (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is volgens de Hoge Raad in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel daarover kan volgens de Hoge Raad in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.
Volgens advocaat-generaal V.M.A. Sinnige bestond in deze zaak aanleiding tot cassatie. Zo bleek uit de bewijsmiddelen wel dat het slachtoffer ten gevolge van het mede door de verdachte toegepaste geweld diverse bloeduitstortingen, breuken in kaakholte, oogkasbodem en het linkerkuitbeen en een gewrichtsspleet tussen sleutelbeen en schouder had opgelopen en dat hij in het ziekenhuis op de spoedeisende hulp door een chirurg was behandeld, maar wat daar voor behandeling heeft plaatsgevonden bleek niet uit de bewijsvoering. Nu ten aanzien van zowel de botbreuken in de kaakholte als de botbreuk in de oogkasbodem en het linkerkuitbeen nadere vaststellingen in het bijzonder over de noodzaak en de aard van medisch, al dan niet operatief ingrijpen en ook het uitzicht op herstel ontbraken kon de uitspraak van het hof volgens de A-G niet in stand blijven.
De Hoge Raad oordeelde anders. De Hoge Raad stelde voorop dat het O.M. ervoor verantwoordelijk is dat de voor de beoordeling door rechter van belang zijnde gegevens bij de processtukken zijn gevoegd. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat de rechter desnoods door aanhouding van behandeling van zaak kan bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over het letsel alsnog bij processtukken worden gevoegd. Ondanks de omstandigheid dat volgens de advocaat-generaal de benodigde gegevens niet voorhanden waren en het hof in de uitspraak niet nader had gemotiveerd waarom sprake was van zwaar lichamelijk letsel meende de Hoge Raad dat het hof ‘kennelijk’ heeft geoordeeld dat in dit specifieke geval de aard, samenstel en veelheid van de aan slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze (ook zonder nadere/specifieke vaststellingen over noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel) als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangeduid zodat de Hoge Raad de uitspraak van het hof in stand hield.
Deze uitspraak maakt niet duidelijk hoe de rechter nu precies moet handelen ingeval onvoldoende gegevens over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel) voorhanden lijken te zijn. Aanhouding van het onderzoek ter zitting wordt slechts als een mogelijkheid gegeven maar de rechter hoeft dat niet te doen terwijl in de uitspraak het oordeel dat ondanks het achterwege laten en blijven van belangrijke gegevens er toch sprake is van zwaar lichamelijk letsel ook niet nader gemotiveerd behoeft te worden.
Zie voor de uitspraak van de Hoge Raad (met verwijzing naar de conclusie van de A-G) hier:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:66&showbutton=true&idx=17Terug naar overzicht