Je was erbij dus je bent erbij?
Je was erbij dus je bent erbij?
Soms wordt het bewijs van opzet iets te snel aangenomen indien een verdachte aanwezig is bij een door een ander gepleegd delict. Zeker als de verdachte zelf ook enig verwijt te maken valt.
Op dinsdag 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad in 2 zaken uitspraak gedaan waarin de vraag centraal stond of de 2 verdachten (A en B) terecht voor het medeplegen van doodslag waren veroordeeld indien zij aanwezig waren bij het door een ander (C) in de nek steken van het slachtoffer terwijl zij zich zelf ook schuldig maakten aan mishandeling van het slachtoffer.
A en B hebben aangevoerd dat zij niet het opzet hebben gehad het slachtoffer om het leven te brengen. Aangevoerd is dat zij niets eens hebben geweten dat de 3e verdachte met een mes was gewapend en door het steken ook zijn overvallen.
Vast stond dat de 2 (A en B) met de steker (C) het slachtoffer hadden opgezocht om hem eens goed onder handen te nemen. Het slachtoffer zat op dat moment bij een kapper in de kappersstoel. Nadat de 2 verdachten samen met de ander de kapperszaak binnenliepen escaleerde de zaak zeer snel. Eén van de 2 medeverdachten sloeg het slachtoffer met een in de kapperszaak liggende bezem op de rug en de ander sloeg het slachtoffer met een tondeuse op het hoofd. De andere, 3e verdachte (C), bleek in het bezit te zijn van een mes waarmee hij het slachtoffer in de nek stak.
Het binnekomen, geweld en het vertrek van alle drie de verdachten vond plaats binnen een minuut.
Het hof was van mening dat alle drie de verdachten zich schuldig hadden gemaakt een het medeplegen van een poging doodslag. Daartoe overwoog het hof dat in de kern sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de geweldshandelingen jegens het slachtoffer en dat alle verdachten fors geweld hebben gepleegd jegens hem. Zij hebben gezamenlijk en tegelijkertijd verschillende geweldshandelingen verricht. Door zo te handelen hebben zij elkaar versterkt in hun geweld tegen aangever. Gelet op het forse geweld dat beide verdachten (A en B) hebben uitgeoefend heeft het voorwaardelijk opzet op de samenwerking zich volgens het hof mede uitgestrekt tot de het steken in de nek door de 3e verdachte (C). Gelet hierop heeft het hof geoordeeld dat ook dit steken mede voor hun rekening dient te komen zodat ook zij de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens hebben aanvaard.
In deze zaak was in feite sprake van een (meer wezenlijk) uiteenlopend opzet tussen de verdachten. Meermalen is in literatuur en jurisprudentie aandacht besteed aan het bewijs van medeplegen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van binnen of buiten het gezamenlijk plan vallende delicten die een overschrijding van het gezamenlijk doel van de medeplegers opleveren. A-G Keulen is eerder ingegaan op het proefschrift van Postma die de rechtspraak van de Hoge Raad inzake het bewijs van medeplegen ten aanzien van binnen of buiten het gezamenlijk plan vallende delicten die een overschrijding van het gezamenlijk doel van de medeplegers opleveren in kaart gebracht. Postma onderscheidt onder meer de categorie waarin de kwade kans besloten ligt in het gezamenlijk plan zoals de zaak waarin de drie mededaders na een bankoverval met een auto vluchten. Eén van de mededaders schiet met een pistool op een achtervolgende politieauto met daarin twee politieagenten. Later tijdens de vlucht schiet een mededader (nu met dodelijk gevolg) op een politieagent. De verdachte wordt veroordeeld wegens (onder meer) het medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en het medeplegen van doodslag. Van belang is dat het vuurwapengeweld voortvloeide uit het gezamenlijk plan. De daders hadden er ‘rekening mee gehouden dat, als de situatie dat ter verwezenlijking van het door hen voorgenomen doel zou vereisen, het gebruik van vuurwapens niet zou worden geschuwd’. Daarnaast onderscheidt hij zaken waarin het delict besloten ligt in een ‘uitvoeringsaspect’ van het gezamenlijk plan waarbij in aanmerking werd genomen dat de verdachte ‘zijn rol is blijven vervullen’. Ook bij zaken die Postma rubriceert als zaken waarin het delict dat een overschrijding van het gezamenlijk doel oplevert buiten het gezamenlijk plan valt, is van belang of de samenwerking wordt voortgezet.
In de zaak waarin A-G Keulen zijn hier bovengenoemde conclusie nam had het hof de vaststelling dat de verdachte op de hoogte was van het bezit van een vuurwapen bij de medeverdachte (de latere schutter) niet zozeer gebaseerd op de bewijsmiddelen, als wel (uitsluitend) op de algemene ervaringsregel dat bij de gezamenlijke uitvoering van een gezamenlijk voorgenomen ripdeal in het kader van een grote partij drugs het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden en deze indien nodig ook zullen worden gebruikt en dat zowel de verdachte als medeverdachte (de kennelijke schutter) hiervan op de hoogte waren. Het hof wijst er daarbij op dat een ripdeal gepaard gaat met het nodige gevaar en overleg vergt over de rolverdeling. Het niet inlichten van de verdachte over het wapen zou een wezenlijk risico voor zowel de verdachte als medeverdachte met zich brengen en dan ook niet voor de hand liggen. De Hoge Raad oordeelde evenwel het oordeel van het hof dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door een medeverdachte gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Dat de verdachte en de medeverdachte het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, was niet voldoende nu niet blijkt dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat de medeverdachte voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door de medeverdachte bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat de medeverdachte begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag kan niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader. In zijn noot onder het betreffende arrest stelt Vellinga dat voorzienbaarheid van een mogelijkheid (nog) geen opzet oplevert om de eenvoudige reden dat daarmee nog niet vaststaat dat de verdachte die mogelijkheid heeft voorzien. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. En ook als de verdachte de mogelijkheid van het gebruik van het wapen tegen een ander heeft voorzien dan is daarmee opzet op de poging tot doodslag nog niet gegeven. Hij moet die mogelijkheid als aanmerkelijk hebben ingeschat en als zodanig hebben aanvaard. Pas dan is er sprake van (voorwaardelijk) opzet.
Aan de hand van verschillende voorbeelden in jurisprudentie van de Hoge Raad stelt Keulen dan ook dat het voor de bewezenverklaring van opzet op het toegepaste geweld bijvoorbeeld niet voldoende is dat de verdachte zich heeft begeven in een situatie die naar ervaringsregels binnen het criminele circuit vaak zou kunnen leiden tot het gebruik van een vuurwapen. Anderzijds laat deze rechtspraak volgens hem wel zien dat als de deelnemer er van tevoren mee bekend is dat een of meer van de anderen een (vuur)wapen bij zich draagt, of als zulks deel uitmaakt van de modus operandi, al snel medeplegen kan worden aangenomen.
In deze zaak is dus van belang dat (onder meer) moet worden vastgesteld aan wélk gezamenlijk plan uitvoering is gegeven; wat is het gronddelict dat de drie voor ogen hadden? Gelet op hetgeen door het hof is vastgesteld over de aanleiding, over het geweld dat de verdachte met de tondeuse en de andere verdachte met de stok en zijn handen heeft gepleegd, kan uit de bewijsvoering en de aanleiding bezwaarlijk anders volgen dan dat zij aangever (zwaar) wilden mishandelen en dat een van de plegers, C, daarin veel verder is gegaan. Het steken met een mes in de nek/bovenrug is van een andere orde.
Dat er mogelijk geweld zou worden gebruikt lijkt uit de bewijsvoering wel te kunnen worden afgeleid, maar niet dat het plan was om bij dat geweld slag- en steekwapens te gebruiken teneinde het slachtoffer dodelijk te verwonden. Het slachtoffer is immers door A en B mishandeld met in de kapperszaak voorhanden zijnde voorwerpen. Dit klemt te meer nu het hof zelf ook heeft vastgesteld dat het conflict volledig uit de hand (is) gelopen. Ook het uit de hand lopen duidt immers niet op een gezamenlijk plan om het slachtoffer te doden, dan wel dat dit voorzienbaar was en dus zelfs niet op voorwaardelijk opzet.
Conform het advies van advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft de Hoge Raad de uitspraken van het hof vernietigd.
Uit de door het hof vastgestelde omstandigheden kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte zich bewust waren van de aanwezigheid van een mes en van de mogelijkheid dat een van de medeverdachten het slachtoffer]daarmee op een kwetsbare plaats zou steken. Dat de verdachten hebben deelgenomen aan het gedurende een korte tijd opzettelijk medeplegen van fors geweld tegen het slachtoffer, en dat zij daarbij het slachtoffer tegen het hoofd hebben geslagen met in de kapperszaak aanwezige harde voorwerpen, volstaat niet.
Zie voor de uitspraken:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:43&showbutton=true&idx=2
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:41&showbutton=true&idx=4
Terug naar overzicht