Actueel


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur



We houden u graag op de hoogte over de ontwikkelingen binnen
het strafcassatie recht.








Neem vrijblijvend contact op


Openlijk geweld in hal/portiek van een flatgebouw?



3 april 2019 - Met openlijk geweld als bedoeld in art. 141, eerste lid, Sr wordt gedoeld op geweld dat onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat echter is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat gebeurde bestond. De term ‘openlijk’ wordt dusdanig geïnterpreteerd dat het moet gaan om geweld dat voor derden waarneembaar moet kunnen zijn geweest.

Geweldshandelingen die zich bijvoorbeeld in een direct aan de openbare weg bevindende voortuin van een woning hebben plaatsgevonden, waarbij die voortuin slechts door een laag tuinhek van die openbare weg werd afgegrensd, moeten vanaf die openbare weg waarneembaar zijn geweest, zodat in dan sprake is van ‘openlijk geweld’.

Eerder is wel - vooral gelet op de strafverzwaring - voor een begrenzing van de reikwijdte van artikel 141 Sr bepleit. Geweld in bijvoorbeeld scholen, fabrieken, kantoren en verenigingsgebouwen zouden niet onder de reikwijdte van dit artikel moeten vallen, nu het hier niet gaat om ruimtes die voor het publiek toegankelijk zijn. Deze plaatsen zijn, anders dan bijvoorbeeld voetbalstadions en treincoupés, niet voor iedereen toegankelijk zijn, omdat de personen die dergelijke plaatsen (scholen, kantoren etc.) bezoeken wel een groep vormen, maar geen onbepaalde en onpersoonlijke verzameling van mensen is. Immers komen op een school in principe alleen de leerlingen, docenten en overig personeel. In een kantoorpand zijn enkel de personeelsleden en eventueel klanten aanwezig.

In zijn (overzichts-)arrest van 3 juli 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 141 Sr onderdeel uit maakt van Titel V van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht (Misdrijven tegen de openbare orde). Vergelijking met andere bepalingen die geweld tegen personen of goederen betreffen, zoals art. 300, (mishandeling) en art. 350 Sr (vernieling of beschadiging) laat zien dat het strafmaximum van art. 141, eerste lid, Sr aanmerkelijk boven dat van deze andere bepalingen uitgaat. Dat vindt zijn grond in de schending van de openbare orde die aan art. 141 Sr is verbonden. Met betrekking tot het bestanddeel "openlijk" in art. 141, eerste lid, Sr geeft de Hoge Raad aan dat in de rechtspraak vaak is vooropgesteld dat daarvan sprake is bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat er gebeurde bestond.
Het gaat er dus wat betreft de "openlijkheid" in de kern genomen om dat de geweldpleging zich op zodanige wijze en op een zodanige plaats moet hebben voltrokken dat de openbare orde is verstoord. Of van openlijkheid zoals bedoeld in art. 141, eerste lid, Sr sprake is, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of bij de geweldpleging in zekere zin willekeurig publiek aanwezig was of had kunnen zijn. Deze (mogelijke) aanwezigheid van publiek verdient in het bijzonder aandacht als het gaat om geweldpleging op plaatsen die niet voor een ieder toegankelijk zijn.

Daarnaast kan de mate van verstoring van de normale gang van zaken van belang zijn. Het begrip "openlijkheid" in de hierboven bedoelde zin kan in sommige gevallen vragen oproepen. Dat laat onverlet dat er veel niet-problematische gevallen wat betreft de openlijkheid bestaan, zoals bij geweld gepleegd op of aan de openbare weg. De motivering van de bewezenverklaring van het bestanddeel "openlijk" verdient volgens de Hoge Raad vooral in niet-evidente gevallen nadere aandacht. Daarbij zijn, mede in het licht van de hierboven aangeduide gezichtspunten, de specifieke omstandigheden van het geval doorslaggevend. Onder meer de potentiële waarneembaarheid van de tenlastegelegde gedragingen en de omvang van het - potentieel aanwezige - publiek kunnen in dat verband een rol spelen (HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008).

In een zaak die nu bij de Hoge Raad aanhangig is, is de verdachte ter zake van (onder meer) ‘openlijk geweld’, gepleegd in de hal en/of portiek van een flatgebouw, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden. In cassatie is betoogd dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd, waarbij verwezen is naar de rechtspraak van de Hoge Raad. In zijn conclusie van 2 april jl. valt advocaat-generaal mr. F.W. Bleichrodt de verdediging bij. De ‘openlijkheid’ van in een hal van een flatgebouw gepleegd geweld is bepaald niet evident. Uit het arrest en/of de bewijsmiddelen blijkt niet dat de hal/portiek voor anderen dan bewoners toegankelijk was. Daarnaast is door het hof niets overwogen over de mogelijke waarneembaarheid van het geweld èn de omvang van het potentieel aanwezige publiek. De A-G stelt dan ook voor de uitspraak van het hof te vernietigen.

Op 28 mei 2019 verwacht de Hoge Raad uitspraak te doen.

Voor de conclusie klikt u hier.







Terug naar overzicht



Plaats een bericht


CAPTCHA Image


Contact


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur
Vasteland 78
3011 BN Rotterdam

Telefoon: 010 3100 270
Fax: 010 3100 274
E-mail: info@bacas.nl
E-mail mr. Baumgardt: baumgardt@bacas.nl
E-mail mr. Van Dongen: vandongen@bacas.nl
E-mail mr. Van den Akker: vandenakker@bacas.nl

KvK: 68913176
BTW: 857644907B01
Bank: NL76ABNA0247440663

Route


Tweets