Actueel


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur



We houden u graag op de hoogte over de ontwikkelingen binnen
het straf(cassatie)recht.








Neem vrijblijvend contact op


Taakstrafverbod in geval van gevorderde tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf



26 februari 2019 - In 2012 zag het taakstrafverbod het licht in het Wetboek van Strafrecht (artikel 22b Sr). Dat verbod kwam er na een uitzending van het programma Zembla in 2007. Volgens het programma zouden rechters te vaak taakstraffen opleggen bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Hoewel al snel bleek dat het programma uitging van onjuiste feiten wilde de wetgever tegemoetkomen aan de onderbuikgevoelens van een deel van de (zo belangrijke) kiezers.

Artikel 22b Sr behelst een beperking voor de rechter om een taakstraf op te leggen bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven (lid 1). Oplegging van taakstraffen werd ook beperkt indien een eerdere taakstraf (binnen 5 jaar voor de pleegdatum van ‘het begane feit’) de speciaal-preventieve werking kennelijk miste (lid 2). Ingevolge lid 3 geldt de beperking niet indien er naast een taakstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Volgens populistische politici en criticasters zouden rechters het verbod omzeilen door naast een taakstraf slechts 1 dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, hetgeen wettelijk gezien volstaat (eventueel met aftrek van de dag dat men in voorlopige hechtenis heeft gezeten). Volgens bepaalde politici wordt het onwenselijk beschouwd dat de rechters het verbod ‘omzeilen’ door 1 dag gevangenisstraf op te leggen.

In een zaak die in 2017 bij het hof Den Bosch aan de orde was rees de vraag wanneer sprake is van een ‘eerdere taakstraf’ zoals bedoeld in het tweede lid van art. 22b Sr. De vraag was relevant in verband met een eerder vonnis, waarbij de verdachte veroordeeld was tot (onder meer) een taakstraf en een voorwaardelijke vrijheidsstraf, en door het Openbaar Ministerie de tenuitvoerlegging werd gevorderd van die eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf (art. 14g Sr).

De verdachte was namelijk eerder, op 23 februari 2013, onherroepelijk veroordeeld door de rechtbank Den Bosch tot een taakstraf van 200 uur, een leerstraf van 40 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden. Omdat de betreffende verdachte in 2017 voor een in 2015 gepleegd feit terecht stond vorderde het Openbaar Ministerie naast een straf voor het nieuw gepleegde feit ook de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden.
Met betrekking tot de gevorderde tenuitvoerlegging zou volgens het hof een kale taakstraf aangewezen zijn maar was dat niet mogelijk omdat de verdachte al eerder, te weten in 2013, tot een taakstraf was veroordeeld, zodat art. 22b lid 2 Sr aan deze omzetting in de weg stond.

In cassatie is aangevoerd dat dit standpunt niet juist is omdat de voorwaardelijke straf was opgelegd in de strafzaak waarin die verdachte voor dàt bewuste feit ook de taakstraf was opgelegd, zodat niet kan worden gesteld dat verdachte eerder, en dus voor het bewuste feit, tot een taakstraf was veroordeeld. In de visie van de verdediging verzet art. 22 b lid 2 Sr zich dan ook niet tegen de omzetting in een kale taakstraf.

Volgens de advocaat-generaal heeft het hof geen fout gemaakt. In zijn arrest van 19 februari 2019 geeft de Hoge Raad de verdachte echter gelijk. De Hoge Raad overweegt dat de regeling van art. 22b Wetboek van Strafrecht ertoe strekt om in die gevallen dat artikel 22b Sr een taakstraf niet toelaat, dat evenmin is toegelaten bij het omzetten van een voorwaardelijke sanctie. De rechter moet aldus toetsen, indien en voor zover bij een vordering tot tenuitvoerlegging het wenselijk wordt geacht om die tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf, óf het feit waarvoor die voorwaardelijke sanctie die is opgelegd (en nu dus tenuitvoergelegd kan gaan worden) een feit is ter zake waarvan artikel 22b Sr het opleggen van een taakstraf uitsluit.

Voor de beantwoording van de vraag of (art. 14g, tweede lid, Sr in verbinding met) art. 22b Sr in de weg staat aan het gelasten van een taakstraf, moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld of het geven van zo een last feitelijk leidt tot een bestraffing van het op 23 februari 2013 gepleegde feit die niet in overeenstemming is met het bepaalde in art. 22b Sr. Het op 23 februari 2013 gepleegde feit geldt daarbij voor de toepassing van het tweede lid van art. 22b Sr als "het door hem begane feit". Het in 2015 begane feit, waarvoor de verdachte in 2017 terecht stond, is dat dus niet. Het kennelijke oordeel van het hof dat in het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarden van art. 22b, tweede lid, Sr en dat daarom geen taakstraf mag worden gelast in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, is dus volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd, reeds omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het op 23 februari 2013 gepleegde feit wegens een soortgelijk feit een taakstraf is opgelegd.

Klik hier voor het arrest.







Terug naar overzicht



Plaats een bericht


CAPTCHA Image


Contact


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur
Vasteland 78
3011 BN Rotterdam

Telefoon: 010 3100 270
Fax: 010 3100 274

E-mail: info@bacas.nl
E-mail mr. Baumgardt: baumgardt@bacas.nl
E-mail mr. Van Berlo: vanberlo@bacas.nl

KvK: 68913176
BTW: 857644907B01
Bank: NL76ABNA0247440663

Route


Tweets