Actueel


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur



We houden u graag op de hoogte over de ontwikkelingen binnen
het strafcassatie recht.








Neem vrijblijvend contact op


Voorwaardelijke invrijheidstelling ook tijdens de voorlopige hechtenis?



10 december 2018 - Tot 1 juli 2008 kenden we in Nederland de vervroegde invrijheidstelling. Dit hield kort gezegd in dat in geval van een veroordeling tot een gevangenisstraf, deze straf (vrijwel) standaard met één derde werd verminderd. Vanaf 1 juli 2008 is deze vervroegde invrijheidstelling omgezet naar een voorwaardelijke invrijheidstelling (ook wel “v.i.” genoemd).

De regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is geregeld in artikel 15 Sr. Op grond van artikel 15 lid 2 Sr wordt een veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren voorwaardelijk in vrijheid gesteld als hij twee derde van zijn straf heeft ondergaan. Artikel 15a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder van rechtswege geldende algemene voorwaarden en dat het Openbaar Ministerie de beslissing neemt omtrent het eventueel stellen van bijzondere voorwaarden. Uit artikel 15d lid 1 van het Wetboek van Strafrecht j° artikel 15d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat een voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld of achterwege kan blijven, bijvoorbeeld indien is gebleken dat de veroordeelde zich ernstig heeft misdragen (artikel 15d lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht) of als het recidive risico onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden, dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart zich aan de gestelde voorwaarden te houden (artikel 15d lid 1 onder d van het wetboek van Strafrecht). Het Openbaar Ministerie kan in een dergelijk geval vorderen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege blijft. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt dus niet langer standaard verleend. Een voorwaardelijke invrijheidstelling kan ook ingetrokken worden als de veroordeelde zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden. De regelgeving omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling is voorts eerst van toepassing indien een veroordeling onherroepelijk is, nu artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht spreekt van “veroordeelde” (Gerechtshof Den Haag 1 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4260).

De vraag is hoe en of de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden toegepast in het geval door de verdachte een rechtsmiddel (hoger beroep of cassatie) is ingesteld tegen een veroordelend vonnis/arrest en de v.i.-datum – nog voordat de uitspraak onherroepelijk is geworden – is genaderd.
In het rapport ‘De praktijk van de voorwaardelijke invrijheidstelling in relatie tot speciale preventie en re-integratie’ van de Erasmus Universiteit te Rotterdam van mei 2018 is gerelateerd dat het als knelpunt wordt ervaren dat gedetineerden de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen ‘ontlopen’ door rechtsmiddelen in te stellen. Als voorbeeld wordt gegeven het geval waarin de fictieve vi-datum van een niet onherroepelijk veroordeelde in zicht is en de voorlopige hechtenis op grond van 67a lid 3 Sv (het anticipatiegebod) jo 75 lid 4 Sv wordt opgeheven. Door het Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling (CVvi) wordt gesteld dat gedetineerden doelbewust rechtsmiddelen kunnen instellen om de voorwaarden bij de v.i. te omzeilen en dat tevens gevallen bekend zijn waarin een rechtsmiddel één dag na de fictieve v.i.-datum wordt ingetrokken. Voorts wordt opgemerkt dat de verschillende gerechtshoven wisselend aankijken tegen de oplossing om door middel van de schorsing van de voorlopige hechtenis alsnog voorwaarden te stellen.

Naar onze mening moet worden voorkomen dat een verdachte feitelijk wordt afgehouden van het uitoefenen van zijn verdedigingsmogelijkheden door het aanvechten van een veroordelende uitspraak bij een hogere rechter. Indien de v.i.-regeling niet zou (kunnen) gelden in gevallen waarin de uitspraak nog niet onherroepelijk is, zal dit immers kunnen leiden tot de onbevredigende situatie dat een verdachte het ingestelde rechtsmiddel intrekt, omdat hij dan wel in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, met als mogelijk gevolg dat onjuiste beslissingen/veroordelingen ten onrechte in stand blijven.

De raadkamer van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft op 6 december 2018 een beschikking genomen waarin het hof overweegt dat niet gebleken is dat verzoeker niet in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling indien hij geen beroep in cassatie zou hebben aangetekend, hetgeen volgens het hof betekent dat op grond van artikel 75 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering de voorlopige hechtenis dient te worden beëindigd. De opheffing van de voorlopige hechtenis zonder daaraan voorwaarden te verbinden, zou volgens de raadkamer echter in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever, die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelden op grond van de beveiliging van de samenleving voorwaarden heeft verbonden. Het hof komt daarom tot het oordeel dat artikel 75 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering in een situatie als de onderhavige analoog aan het bepaalde ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden toegepast. Dit kan, zoals ook bepleit, door middel van een schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5177).







Terug naar overzicht



Plaats een bericht


CAPTCHA Image


Contact


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur
Vasteland 78
3011 BN Rotterdam

Telefoon: 010 3100 270
Fax: 010 3100 274
E-mail: info@bacas.nl
E-mail mr. Baumgardt: baumgardt@bacas.nl
E-mail mr. Van Dongen: vandongen@bacas.nl
E-mail mr. Van den Akker: vandenakker@bacas.nl

KvK: 68913176
BTW: 857644907B01
Bank: NL76ABNA0247440663

Route


Tweets